Vanaf de Hoge Middeleeuwen rezen er in de Ardennen machtige burchten, citadellen en versterkte plaatsen op, gebouwd door onze koningen en prinsen. Enkele donjons en ruïnes getuigen nog van deze tijd: Montcornet, Linchamps, Lumes, Day etc.
Na de Honderdjarige oorlog bouwden de plaatselijke landjonkers een heus netwerk van kleine kastelen, versterkte kastelen en boerderijen om hun gezinnen en boeren te beschermen. Het doel was niet om een beleg te houden, maar wel om enkele dagen weerstand te bieden aan groepen van plunderaars. Deze civiele, versterkte architectuur wordt gekenmerkt door een ongeëvenaarde verscheidenheid: de gebouwen werden ontworpen in functie van de plaatselijke behoeften en materialen en geen enkel gebouw lijkt op het naastgelegen gebouw.
Gedurende lange tijd werden de Ardeense meesterwerken volgens semi-Middeleeuwse methodes gebouwd. Nochtans laat de Renaissance enkele mooie, architecturale voorbeelden in bakstenen en in stenen uit de tijd van Lodewijk XIII na, hetzij in de stad, met de Place Ducale in Charleville, of op het platteland met de abdijen van Mont Dieu en Bonnefontaine.
In de 18e eeuw doen dan de landhuizen en de lusthoven hun intrede voor de aristocraten die deel uitmaken van het hof in Versailles of voor de heren van de ontluikende nijverheid: de lakenhandelaars uit de streek van Sedan (Bazeilles, Remilly-Aillicourt) of elders de smederijheren. Rondom het landgoed worden er uitgestrekte tuinen aangelegd, in het verlengde waarvan er ook bossen voor de jacht voorzien zijn.